De effectiviteit van de behandeling van colitis ulcerosa (UC) kan op basis van verschillende behandeldoelen worden geëvalueerd. Deze gaan, evenals de voortschrijdende stand van de medische wetenschap, met hun tijd mee. Echter geldt altijd dat vroegtijdig het risicoprofiel op snelle progressie van ziekte of complicaties ingeschat dient te worden en de behandeldoelen, inclusief de risico’s die gepaard gaan met de behandeling, samen met de patiënt besproken moeten worden.

 Behandeldoelen bij UC in een notendop

  • Klinische remissie (aanbevolen door CBO en ECCO richtlijnen)
  • Endoscopische scores/klinische activiteitscores niet aanbevolen
  • Geen standaarddefinities voor endoscopische/biochemische remissie via fecale leukocytenmarkers
  • Geen steroïdenvrije remissie na 12-16 weken? Aanpassing therapie geïndiceerd Adherentie en anemie evalueren tijdens poliklinische controle

Van oudsher vormt vermindering van klachten (m.n. bestaande uit frequente stoelgang met verlies van bloed en slijm evenals het voorkomen van complicaties zoals anemie, darmperforatie of toxisch megacolon) het behandeldoel bij UC. Inmiddels is dit uitgebreid met klinische, biochemische, endoscopische en histologische remissie.

Klinische remissie

Klinische remissie wordt volgens de CBO- en ECCO-richtlijn gedefinieerd als < 3 ontlastingen per dag zonder bloed of loze aandrang.

Histologische remissie

Met slijmvliesherstel (ook aangeduid als mucosal healing) in IBD werd in eerste instantie het verdwijnen van microscopische veranderingen bedoeld.1 In de praktijk is dit echter moeilijk te controleren omdat dan steeds op exact dezelfde plaats een coloscopie zou moeten worden verricht om dit goed te kunnen beoordelen.2 De exacte definitie van histologische remissie in de literatuur varieert inmiddels aanzienlijk.

Endoscopische remissie

Momenteel wordt met endoscopische remissie het verdwijnen van mucosale inflammatie in macroscopische zin aan de hand van de aan- of afwezigheid van slijmvliesletsel (zoals erosie of ulceratie) bedoeld.3 bedoeld. Verwarrend is dat er geen algemene cut-off waarden of scores zijn voor endoscopische remissie.

Biochemische remissie

CRP, BSE en albumine hebben een lage sensitiviteit en specificiteit voor ziekteactiviteit bij UC-patiënten, terwijl fecale leukocytenmarkers goed correleren met de aanwezigheid van leukocyten in de mucosa van de dikke darm. Echter, ook hier zijn (nog) geen algemene cut-off waarden voor remissie voorhanden. Bovendien is er ook frequent sprake van hoge intra-individuele variabiliteit per patiënt.

Patient-reported outcome measures (PROMs)

Bij CU worden steeds vaker PROMs toegepast zoals IBD-Control Questionnaire en de IBD-Disability Questionnaire.4,5 In de dagelijkse praktijk worden ze echter niet systematisch vastgelegd.

Adherence en het voorkomen van complicaties

Non-adherence aan de behandelvoorschriften komt frequent voor bij IBD-patiënten en heeft direct invloed op de effectiviteit van de behandeling.6 Een belangrijke complicatie van IBD is anemie; dit dient dan ook middels hemoglobinegehalte en ijzerstatus te worden onderzocht en eventueel behandeld.7

Behandeldoelen volgens de European Medicines Agency (EMA)

Bij de registratie van een nieuw geneesmiddel voor de indicatie UC stelt de EMA dat dit een symptomatische verlichting dient te bieden die gebaseerd is op een gedocumenteerd effect op het inflammatoire proces. Deze symptomatische verlichting dient te worden geëvalueerd door PROMs, die idealiter goed gevalideerd is en o.a. klinisch belangrijke tekenen en symptomen van UC bevat zoal verhoogde ontlastingsfrequentie en rectaal bloedverlies. Voor het beoordelen van het effect op het inflammatoire proces vormt endoscopie de aangewezen methode.8

Lees ook: behandeldoelen bij patiënten met de Ziekte van Crohn

Referenties

  1. Korelitz BI, Cheskin LJ, Sohn N, Sommers SC. Proctitis after fecal diversion in Crohn’s disease and its elimination with reanastomosis: implications for surgical management. Report of four cases. Gastroenterology. 1984 Sep;87(3):710-3.
  2. Geboes K. Is histology useful for the assessment of the efficacy of immunosuppressive agents in IBD and if so, how should it be applied ? Acta Gastroenterol Belg 2004 Jul-Sep;67(3):285-9.
  3. Korelitz BI. Mucosal healing as an index of colitis activity: back to histological healing for future indices. Inflamm Bowel Dis 2010 Sep;16(9):1628-30.
  4. Allen PB, Kamm MA, Peyrin-Biroulet L, et al. Development and validation of a patient-reported disability measurement tool for patients with inflammatory bowel disease. Aliment Pharmacol Ther 2013 Feb;37(4):438-44.
  5. Bodger K, Ormerod C, Shackcloth D, Harrison M, IBD Control Collaborative. Development and validation of a rapid, generic measure of disease control from the patient’s perspective: the IBD-control questionnaire. Gut 2014 Jul;63(7):1092-102.
  6. Kane S, Huo D, Aikens J, Hanauer S. Medication nonadherence and the outcomes of patients with quiescent ulcerative colitis. Am J Med. 2003 Jan;114(1):39-43.
  7. ICC. Handleiding behandeling IBD – 2014-2015. Moderniseren van de Richtlijn IBD 2009.
  8. EMA. Guideline on the development of new medicinal products 4 for the treatment of Crohn’s Disease. 21 July 2016.